R.K. Sint Willibrordkerk te Utrecht     Minrebroederstraat 21  
3512 GS   Utrecht, Nederland  

INTRO   >   MULTIMEDIA   >   H.WILLIBRORD

I. Leven en Werken van Willibrord

H.Willibrord

De H. Willibrord werd geboren in het jaar 658, niet ver van York, in het koninkrijk Northumberland, gelegen aan de zuidkant van het tegenwoordige Schotland.

Zijn moeder heette Mena, en op haar verlangen kreeg haar kind, het enige dat God haar schonk, de naam Willibrord. Dat betekent: 'strijdlustige'.

Zijn moeder stierf zeer jong. Men bracht het kind naar het klooster van Ripon, waar de H. Wilfried overste was. Deze abt had het klooster zelf gesticht en bestuurde het met wijs beleid.

De vader van Willibrord heette Wilgis. Hij was een zeer devoot man, die na de dood van zijn echtgenote de wereld verliet, priester werd, en aan de rivier de Humber een klooster sticht.

Na een leven vol deugden stierf hij een zalige dood. In Engeland en in het bidsdom Trier wordt hij als Belijder vereerd. Zijn naamdag valt op 30 januari.

II. Priesterwijding van Willibrord

H.Willibrord

Geleidelijk aan ontwikkelden zich in Willibrord zijn grote gaven van geest en hart. Hij bekwaamde zich in verschillende kunsten en wetenschappen, legde zich toe op talen, muziek, sterrenkunde en poëzie. Reeds op jeugdige leeftijd ontving hij het zwarte habijt van Sint Benedictus.

Toen al bewonderden de kloosterlingen zijn zachtmoedigheid, zijn plichtsgetrouwheid en zijn ingetogenheid. Vooral na zijn twintigste jaar toen hij in de abdij van Rathmelsigi (Ierland) verbleef, zien wij hem ernstig streven naar zijn ideaal: het H. Priesterschap.

Als God iemand voor de priesterlijke waardigheid uitverkiest, zal Hij ook de geschiktheid daartoe geven. En die zal zich uiten in deugd en wetenschap, door oefening verkregen.

Wij lezen over Sint Willibrord dat hij zich ernstig toelegde op de wetenschap en zich dagelijks oefende in de deugd. Gretig luisterde hij als zijn leermeester sprak over Wigbert, die als missionaris de zee was overgegestoken en werkte aan de bekering van de Friezen.

Friesland was in die tijd de naam voor al het boven de Maas gelegen land. Meermalen moet Willibrord aan Egbert, zijn leermeester, gevraagd hebben, in de twaalf jaar dat hij in diens klooster studeerde, of ook hij niet naar de Friezen zou mogen gaan om er het Evangelie te verkondigen.

En die dag brak aan. Toen hij ongeveer dertig jaar oud was, ontving Willibrord de H. Priesterwijding uit de handen van St. Egbertus, en werd spoedig daarna uitverkoren om met Adelbert, Werenfried, Engelmond, Switbertus en nog zes andere benedictijnen naar Nederland over te steken.

Willibrord was nu priester, en missionaris tevens.

III. Willibrord arriveert in Katwijk

H.Willibrord

Tegen het einde van het jaar 690 landde de H. Willibrord met zijn tien gezellen te Katwijk aan Zee.

Wij kunnen ons bijna indenken, met hoeveel moeilijkheden die overtocht gepaard ging. Een armzalige zeilboot, met leer beslagen. Zonder kompas, zonder zeewaardig stuur. Wij lezen dat ze een kraai hadden meegenomen. Die vogel vloog oostwaarts. Daar moest het land zijn, want hij keerde niet terug. Als anker diende een zware steen, die met touwen naar de diepte gelaten werd.

Zeker, er zal veel gebeden zijn aan boord, maar er zal ook gejuicht zijn toen men Nederland, het missiegebied, in de verte zag liggen. Gejuicht om God, die hen beschermd had op zee en hun de genade zou geven om hun prediking vruchtbaar te doen zijn.

Gehoorzaamheid aan het gezag deed Willibrord besluiten eerst bij de koning der Friezen, Radboud, verlof te gaan vragen om te mogen prediken. Dit was een woeste vorst, die de Franken haatte omdat zij een andere godsdienst hadden. Hij was bang dat zijn Friezen hem niet meer zouden gehoorzamen als zij die godsdienst aannamen. Radboud was, net als zijn volk, trots op zijn heidense godsdienst van Wodan, Donar en Tyr. Maar hij was ook gastvrij.

Willibrord verschijnt voor hem, en wordt volgens de regels der Friese gastvrijheid welwillend ontvangen. Hoe graag had Radboud openlijk zijn vijandige gezindheid getoond! Geleid door de wijsheid van de H. Geest doorzag Willibrord de gezindheid van Radboud. Hij begreep, dat hij op diens grondgebied geen goed kon doen. Daarom reisde hij van Utrecht zuidwaarts, naar de hofmeier Pepijn van Herstal, die feitelijk regeerde in de plaats van zijn koning Theodorik III der Franken. Pepijn, verre van onberispelijk op zedelijk gebied, hoorde de missionaris uiterst beleefd aan, maar ook nu weer waarschuwde de voorzichtigheid Willibrord.

Evenals Radboud, wilde ook Pepijn over de kerk regeren, en hij verdiende geen vertrouwen. Bij al die moeilijkheden vond Willibrord het, na een kort bezoek aan de H. Lambertus, bisschop van Maastricht, raadzaam aan de Paus te Rome te gaan vragen welke gedragslijn hij moest volgen.

IV. Naar Rome

H.Willibrord

Zo gaat Willibrord door Gallië heen naar Paus Sergius I om raad te vragen. Het was in het najaar van 690. De Paus was door een engel voorbereid op de komst van Willibrord en zegende het besluit van de offervaardige priester om de bekering der Friezen te beginnen.

Hij sprak veel met hem over zijn plannen, verleende hem allerlei hulp bij het laten overschrijven van boeken over het kerkelijke recht, en gaf hem tenslotte relikwieën mee van martelaren, om bij het stichten van nieuwe kerken te gebruiken.

Met die schatten keerde onze apostel in het voorjaar van 691 naar zijn metgezellen terug. Hij deelde hun de wens van Paus Sergius mee, nl. om uit hun midden een bisschop te kiezen. Men koos Switbertus, omdat de nederige Willibrord zich had teruggetrokken. Hij had nog niet de kerkelijke leeftijd en miste, zoals hij zei, de deugden die Sint Paulus voor een waardige Prins der Kerk vereist acht. Switbertus werd in Engeland door Wilfried gewijd, en na een episcopaat van 22 jaar overleed hij op het eiland Kaiserswerth.

Pepijn ging voort met genegenheid te huichelen: aan bekeerlingen zou hij vermindering van belasting toestaan. Maar het was slechts een maatregel om de missie meer afhankelijk van zich te maken.

Willibrord vestigde zich te Utrecht in een woning, die de Frankische bezetting voor hem gereed gemaakt. En toen mocht hij ondervinden, dat de grote achi die de Friezen voor elke vrouw en voor elke maagd hadden een prachtig hulpmiddel was om door de gezegende Maagd en Moeder Maria de leer van de ware God te prediken. Wellicht vinden we hier, bij Willibrord, de oorsprong van de eens zo grote Mariaverering in ons land en zal deze ook weer op zijn voorspraak opbloeien.

Pepijn zag begerig uit naar de bisschopswijding van Willibrord, en deze aarzelde niet om ten tweede male naar Rome te vertrekken. Dit maal in gezelschap van vele vrienden, kooplieden en soldaten.

Paus Sergius las het verzoekschrift van Pepijn en kondigde op 20 november 695 af, dat hij Willibrord in de Sint Pieter tot bisschop zou wijden op het feest van de H. Clemens, 22 november. Naar de gewoonte van die tijd, en als bewijs van altijddurende dankbaarheid, tekende Willibrord voortaan: Clemens Willibrordus.

V. Terug naar de Friezen

H.Willibrord

Na veertien dagen in Rome vertoefd te hebben, vertrok de gezalfde aartsbisschop der Friezen naar Nederland. In Emmerik ontmoette hij zijn vroegere reisgezel, bisschop Switbertus, maar Willibrord ging verder noordwaarts.

Zou hij in het ijverige Medemblik zijn zetel vestigen, of in Utrecht? De beslissing scheen moeilijk voor die dagen, maar de stad Utrecht met haar vele privileges en haar oude Salvatorkerk won het pleit. Willibrord begon er terstond met de bouw van een nieuwe kerk, die hij toewijdde aan zijn hoogvereerde medebroederbenedictijn de H. Martinus, als bisschop van Tours gestorven tegen het begin van de 5e eeuw.

Ook een kloosterseminarie verrees er, waar Willibrord al spoedig aan twee Friezen de priesterwijding mocht toedienen: Wullibraht en Thiadbraht, de eerste twee inlandse priesters.

Na in zijn bisschopsstad alles geregeld te hebben, begon Willibrord zijn missietochten. Een draagbaar altaar had hij steeds bij zich, om, waar hij ook was, de H. Mis te kunnen lezen.

Tal van ontberingen moet de apostel geleden hebben. Ons vochtige klimaat, de fel-koude winters, de koortsverwekkende dampen boven de moerassen en onder water gelopen velden, gebrek aan bruikbaar drinkwater, aan levensmiddelen, onverschilligheid en ruwheid der bevolking, te paard of per roeiboot. Men moet wel een sterk, mannelijk gestel hebben om aan al die moeilijkheden het hoofd te kunnen bieden. God stond zijn dienaar wonderbaar bij, en op zijn voorspraak ontstonden veel bronnen of putten, met drinkwater voor mens en vee. Denken we aan de putten van Heiloo, Oss, Geesteren, Diessen en Maarheeze.

De heidense priesters lieten zich niet onbetuigd. Zij werkten de heilige tegen, naarmate hij feller optrad tegen het bijgeloof.
Hoe dom was het volk toch, om uit de vlucht van de vogels, uit het niezen van paarden of uit de hersenen van geslachte dieren de toekomst te willen voorspellen.

VI. Willibrord bij de heidenen

H.Willibrord

Willibrord leerde dat er één Bestuurder is van hemel en aarde, de grote maar goede God, die in zijn goddelijke Voorzienigheid aan ieder geeft wat hem tot eeuwige zaligheid kan strekken.

We moeten niet denken dat Willibrord geen goede vrienden heeft gehad. Zoals de Kerk van Rome al vroeg een rijke en milddadige H. Cecilia tot volgelinge van Christus had, zo kreeg ook Willibrord zijn vrienden en weldoeners in onze landen.

Irmina, de abdis van een klooster in Trier, had dicht daarbij, in Echternach, een klooster laten bouwen als onderdak voor reizende monniken. Dezen trokken namelijk, zoals missionarissen in onze dagen, predikend en onderrichtend van de ene plaats naar de andere. Dat klooster verstrekte tevens warm voedsel en aalmoezen aan de armen uit de omtrek.

Toen Willibrord aan Irmina een toevluchtsoord gevraagd had voor het geval dat zijn priesters uit Friesland verdreven zouden worden, gaf zij hem dit klooster op 1 november 698 ten geschenke.

Willibrord aanvaardde het geschenk en bestemde het tevens als sanatorium en als retraitehuis voor zijn geestelijken. Later zou de abdij van Echternach tal van keren ons land van priesters voorzien.

Irmina en ook anderen verschaften de missiebisschop paramenten en kelken voor de H. Mis, maar ook boerderijen en molens. Regelmatig trok Willibrord verder, in leren zakken zijn boeken en altaarbenodigdheden meevoerend.

VII. Naar Echternach

H.Willibrord

De rivieren langs gaande, kwam hij in Dorestad - bij het huidige Wijk bij Duurstede - Vlaardingen, Vlissingen, Oegstgeest, Petten en Velzen. Hij bereikte zelfs Denemarken en Helgoland. Dit laatste was toegewijd aan de afgod Fosite. Het was een heilig land. Men mocht er niet spreken, en niets eten van wat er groeide of graasde.

Toch liet Willibrord er runderen slachten, om zijn pasgedoopte leerlingen een overtuigend bewijs te geven van de machteloosheid der goden. Fosite wreekte zich niet. Zelfs niet toen Willibrord er met water uit de heilige bron het Doopsel toediende onder aanroeping der Heilige Drievuldigheid.

Radboud liet hem toen weten, beducht voor de invloed van Christus dienaar, dat Willibrord vertrekken moest.

Willibrord was een echte mensenvriend, die van vrede en welvaart hield. Hij bood hulp waar hij kon. Het was schrander inzicht, dat de mensen raad en bijstand verschafte om dijken aan te leggen en de opstormende zee te bedwingen.

Door zijn toedoen kreeg Utrecht eer en aanzien, en een drukke markt. Dorestad werd het middelpunt van levendig handelsverkeer. Allerlei werkgelegenheid verschafte hij rond zijn kloosters. Hij richtte steenbakkerijen op, een timmerschool, een ijzersmederij. Het volk hield veel van de voortvarende prelaat.

Het was was een goede gedachte van Willibrord geweest voor een toevluchtsoord voor zijn priesters te zorgen. Want nauwelijks was Pepijn, de Frankische hofmeier, gestorven 7 dec. 7141, of de Friezen vielen de Franken aan, plunderden kloosters, vernielden kerken en kapellen, en lieten zelfs de kruisen niet staan die Willibrord langs de wegen en de velden had geplant. Er vielen martelaren.

Willibrord trok zich terug in Echternach. De Franken namen wraak, en Radboud werd verslagen door Karel Martel. Hij moest afstand doen van zijn koningstitel, terwijl zijn opvolger, Aldgirl II, door het H. Doopsel in de Katholieke Kerk werd opgenomen. (719).

VIII. Priesterschool en bibliotheek

H.Willibrord

De balling verscheen weer in ons land, en hoewel hij meer dan zestig jaar oud was, trok Willibrord weer prekend en organiserend rond.

Op een van die reizen moet hij de H. Bonifacius ontmoet hebben. Hij heeft hem gevraagd of hij niet als coadjutor het uitgestrekte bisdom van Willibrord mee wilde besturen. Maar Bonifacius beriep zich op Rome en bleef missionaris in Duitsland. Met stille goedkeuring van de Paus heeft Willibrord toen een andere priester tot zijn medehelper benoemd en gewijd. Willibrord gaf hem tot taak, de verder gelegen streken van zijn gebied regelmatig te bezoeken.

Zeer grote voorzichtigheid kenmerkt de aartsbisschop Friezen als hij na veel kruis en vertroosting, na veë teleurstelling en zege, zijn testament gaat maken. Heel ordelijk beschrijft híj, welke bezittingen hem persoonlijk geschonken, welke aan zijn bisschoppelijke waardigheid gegeven waren. Deze laatste, bijv. boerenhoeven, landerijen en waterwerken, vermaakte hij aan het bisdom Utrecht.

De persoonlijke geschenken werden het bezit van de abdij van Echternach, met de verplichting alle door hem gestichte parochies van priesters te voorzien. Zo wist Willibrord te bereiken, dat zijn bezittingen onafhankelijk zouden blijven van welke vorst dan ook.

In Utrecht had hij voor zijn priesterschool nog een bibliotheek bijeengebracht. Wij begrijpen hoe kostbaar zoiets in zijn tijd was, toen alle wetenschap nog slechts in handschriften was opgetekend.

Willibrord ging zich voorbereiden op de dood. Na de ernstige vermaning aan zijn leerlingen om vooral de H. Schrift te bestuderen, vertrok hij naar Echternach. Hij was 78 jaar oud, en verwachtte de komst van zijn Meester.

Zijn leven was welbesteed geweest. Een van zijn levensbeschrijvers, Pater Kronenburg C.s.s.R., vat het aldus samen:

'Van de immer wentelende Noordzee tot aan de monden van de Elbe, - langs de boorden van de Maas tot aan de geurige wijngaarden langs de Moezel, - overal straalde het zegevierend kruis op het voetstuk van omvergeworpen afgodsbeelden; overal rustten christengemeenschappen in de schaduw van houten kerken vaak met eigen hand door hem opgericht".

IX. Verheerlijking en overlijden

Overlijden H.Willibrord

In onze laatste beschouwing willen wij de verheerlijking van de H. Willibrord bij en na zijn dood overdenken.

Er scheen een lichtglans boven zijn sterfbed. Zoete geur omringde zijn lichaam. Een lamme vrouw en een jongen die aan vallende ziekte leed, genazen plotseling toen zij met olie uit zijn lamp bestreken waren. Het stro van zijn sterfbed deed tandpijn ophouden.

Maar het meest wonderbaarlijke gebeurde met zijn monument. Een rijke vrouw had aan Willibrord een marmeren praalgraf geschonken, doch dit bleek een halve voet te kort te zijn. In de nacht werd dit op miraculeuze wijze verlengd.

Paus Leo IX heeft zelf in Echternach de kapel gewijd ter ere van de H. Willibrord. Tal van kerken in ons land en in Vlaanderen werden aan de grote apostel toegewijd.

In 1936 waren in ons land 71 parochiekerken en 20 verenigingen of kloosters, onder zijn bescherming waren gesteld.

Als devotieplaats munt boven alles uit: Echternach. Daar werd op 6 november 1794 door benden van de Franse revolutie het graf van Sint Willibrord ontheiligd. Tussen glasscherven en versplinterd hout lagen de beenderen van de apostel verspreid. De priester Wilhelmus Meyers verzamelde de overblijfselen en droeg die over aan de deken van Echternach.
De paters benedictijnen waren toen nl. uit hun abdij verdreven.

In het jaar 1906 zijn de relikwieën van Sint Willibrord overgebracht naar de toen gereed gekomen basiliek. In 1939, bij het 12e eeuwfeest van de dood van Sint Willibrord, werd de kerk geheel vernieuwd. Helaas was deze nieuwe glans van korte duur: tijdens het beruchte Ardennen-offensief werden op 26 december 1944 de beide torens opgeblazen.

Het middenschip scheurde tot in de fundamenten, maar het graf van de heilige, in de crypte, werd als door een wonder gespaard.

De Luxemburgse regering beschouwde de basiliek als nationaal heiligdom en liet haar op staatskosten herbouwen.

Jaarlijks gaan duizenden pelgrims naar het stadje Echternach, op de derde pinksterdag, en trekken al springend, vooruit en achteruit, door de straten naar de kerk. Dat is de bekende springprocessie, waarbij Psalm 32 in dichtvorm wordt gezongen. Hoe lang die processie al gehouden wordt, weten we niet, maar zeker is dat ze reeds bestond in de 15e eeuw.

Misschien is het een door Willibrord gekerstende nationale dans, misschien een aloude hulde aan de H. Drievuldigheid, misschien ook een boeteprocessie tegen de dolheid van vee en koortsen, en tegen de Vitusdans onder de mensen: In elk geval is die eigenaardige Willibrord-hulde overgebleven uit tijden van een grenzeloos Godsvertrouwen.


INTRO   |   SITEMAP © 2004 - 2012   SINT WILLIBRORDUS STICHTING   |   CONTACT   top